Scheiding tussen kerk en staat
Scheiding tussen kerk en staat: het ultieme doel
De scheiding tussen kerk en staat, of eerder van levensbeschouwing en staat, is en blijft voor de vrijzinnige gemeenschap het uiteindelijke streefdoel. Geloof en levensbeschouwing behoren tot de privé-sfeer.
Patrick Loobuyck gaf een goede omschrijving van het principe van scheiding tussen kerk en staat:
“De scheiding tussen kerk en staat is de concretisering van de idee dat politiek en levensbeschouwing twee autonome domeinen zijn, met elk een afgescheiden functie en eigen interne regels. Het is het instrument bij uitstek om een pluralistische samenleving uit te bouwen. Het garandeert immers dat de politiek niet in de ban staat van één levensbeschouwing, en omgekeerd dat de levensbeschouwingen zich geen inmenging van de politiek moeten laten welgevallen. M.a.w. de politiek ontleent zijn legitimiteit aan het feit dat deze los van een levensbeschouwing bestaat en de levensbeschouwingen bepalen zelf hun inhoud en waarden zonder dat de politiek daarin mag tussenkomen of de inhoud beoordelen.”
Wanneer is er scheiding tussen kerk en staat?
We kunnen spreken van een scheiding tussen kerk en staat als de kerkelijke macht en staatkundige macht niet in dezelfde handen zijn en zij geen beslissende invloed op elkaar uitoefenen.
Dit betekent dat de staat en de kerk elk hun eigen zaken organiseren. De overheidsdienaren bemoeien zich niet met de kerk en de dienaren van de kerk bemoeien zich niet met de staat.
Concreet betekent dit:
- de niet-inmenging van alle religieuze of niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties in staatsaangelegenheden. Dit betekent 1) dat kerkelijke overheden niet als staatsmachten worden erkend, 2) dat ze geen wetten kunnen opleggen die in de Belgische wetgeving dienen te worden opgenomen en 3) dat alle praktijken die ertoe leiden de godsdienst van de meerderheid de facto als staatsgodsdienst voor te stellen, worden stopgezet. Denk bijvoorbeeld aan officiële religieuze plechtigheden of het toekennen van een bevoorrechte plaats aan de vertegenwoordigers van één enkele eredienst;
- de niet-inmenging van de staat in de aangelegenheden van religieuze of niet-confessionele levensbeschouwelijke organisaties. Een staat dient zich ervan te onthouden tussen te komen in hun interne organisatie, in de omschrijving van hun ethische standpunten of in de benoeming van hun vertegenwoordigers.
- het respect voor de vrijheid van eredienst t.a.v. elke burger en de gemeenschap: de vrijheid van eredienst in België bestaat uit enerzijds de strikte eerbiediging van de individuele overtuiging van de burger. Anderzijds omvat zij de aanvaarding van de gemeenschap waarbinnen de levensbeschouwing zich ontplooit;
- een doorzichtige subsidiëringspolitiek: indien de staat confessionele of niet-confessionele organisaties financiert, moet deze financiering beantwoorden aan de criteria van billijkheid en doorzichtigheid.
Scheiding tussen kerk en staat in België
De staat moet instaan voor de eerbiediging van de private sfeer van de burgers. Eveneens staat zij in voor een gelijke behandeling van elk individu of elke minderheid. Het pluralisme van deze maatschappij is gefundeerd op het respect van de staat voor alle levensbeschouwingen.
De Belgische Grondwet spreekt zich niet formeel uit over de betrekkingen tussen de staat enerzijds en de erkende erediensten of niet-confessionele levensbeschouwelijke gemeenschappen anderzijds. Men vindt er geen enkel artikel dat expliciet duidt op het niet-confessionele karakter van de staat, noch op de strikte scheiding tussen kerk en staat. De scheiding tussen kerk en staat vormt wel een onderdeel van het Belgisch publiekrecht.
De Grondwet verwijst naar een wereldlijke opvatting van de staat. Deze wordt gekenmerkt door een wederkerige onafhankelijkheid tussen de staat en de godsdiensten. Alsook door de erkenning van het bestaan van een levensbeschouwelijk pluralisme. Het gaat hier om een relatie van relatieve scheiding en wederzijdse onafhankelijkheid. De staat is tolerant en neutraal tegenover de geloofsovertuigingen en de levensbeschouwelijke opvattingen van haar burgers. De staat laat zich niet in met zaken die de levensbeschouwingen en erediensten aangaan. Evenmin duldt zij een inmenging vanwege hen in staatszaken.
We zien dus dat het principe van scheiding tussen kerk en staat, zoals die door de Belgische wetgeving wordt opgevat, in geen geval wijst op een afkeuring van de publieke financiering van de erediensten. Integendeel, artikel 181 van de Belgische grondwet belast de staat met de lonen en de pensioenen van de bedienaars van de erediensten en vrijzinnige moreel consulenten. Bovendien is het zo dat de kerkfabrieken, Israëlitische kerkraden en administratieve raden van de anglicaanse en protestantse kerk beschouwd worden als rechtspersonen van het publiek recht.
Publieke middelen van overheden kunnen als legitiem beschouwd worden als zij ervoor kunnen zorgen dat burgers hun eredienst of levensbeschouwing in vrijheid kunnen beleven. De staat mag dus middelen ter beschikking stellen van de erediensten (met andere woorden de overheden) die de middelen ter beschikking. Men moet er zich steeds van bewust zijn dat het gaat om de middelen ten dienste van de gelovige of ongelovige burgers en niet de eredienst zelf. Het laatste zou immers ingaan tegen de scheiding van kerk en staat zoals die resulteert uit de artikelen 20 en 21 van de grondwet.